In deze tekst:
| Inleiding | |
| Een
voorbeeld: een grafiek invoegen in een PowerPoint dia | |
| Ingevoegde
object bewerken | |
| Aandachtspunten |
Zie ook:
| PowerPoint
|
In een tekst in Word, een presentatie in PowerPoint of een rekenblad in Excel kunt een plaatje, videofilm, geluid, webpagina of dergelijk uit een ander programma in het document in voegen. Vaak kunt u dit met Kopiëren uit de bron en Plakken in het doelprogramma in uw document zetten.
Er zijn echter ook andere manieren mogelijk, waardoor u meer met het oorspronkelijke bestand kunt doen. Hieronder staat beschreven hoe u een 'object' kunt Invoegen in uw document. Een Ingevoegd object (bijvoorbeeld een grafiek uit een grafieken-programma) kunt u in uw doel-document blijven bewerken, alle eigenschappen van het object blijven behouden. Bij een object dat u met Plakken in het document zet, zijn vaak alle eigenschappen van het originele object vervallen.
Het invoegen van objecten is mogelijk doordat de Windows-applicaties met de techniek Automation werken (voorheen OLE-koppelingen genoemd). Bijna elk programmabestand, bijv. een grafiek, tekstdocument, dia, videofilm, geluid enz., maar ook een webpagina), kan binnen een ander programmabestand worden opgenomen, met behoud van de oorspronkelijke eigenschappen.
| Start PowerPoint. (De versie maakt niet uit, in dit voorbeeld wordt uitgegaan van PowerPoint 2000. De afbeeldingen kunnen per versie van het programma iets verschillen.) | |
| Klik op Invoegen >> Object. |
| U kunt nu kiezen of u een Nieuw object wilt maken, bijvoorbeeld een nieuwe
grafiek, of een Bestaand bestand gebruikt, bijvoorbeeld een bestaande
grafiek. |
| Kies voor Nieuw. | |
| Kies het programma waarmee u het object wilt maken. Het programma moet op uw pc geïnstalleerd zijn of anderszins toegankelijk zijn, als het programma niet in de lijst staat dan is dit niet goed geïnstalleerd. | |
| Klik op [OK]. Het programma wordt nu geopend. | |
| Maak uw nieuwe object aan. U kunt het eventueel opslaan (Bestand >>
Opslaan), maar dit hoeft niet. | |
| Als u het object (in dit geval de grafiek) gemaakt hebt, klikt u op Bestand >> Afsluiten en terugkeren naar presentatie, of in Engelstalige programma's: Exit & Return to Presentatie1. |
| Klik op het tabblad Bestand gebruiken. | |
| Klik op Bladeren... en zoek naar het gewenste bestand. |

U kunt desgewenst het vakje Aan bestand koppelen aanvinken.
|
| Niet koppelen: Als u het vakje Aan bestand koppelen niet aanvinkt, dan
wordt een kopie van het originele object in dit document ingevoegd en is
er geen relatie meer met het originele bestand. Niet koppelen verdient de
voorkeur wanneer u het doelbestand naar een andere locatie mee wilt nemen
en niet over het bronbestand beschikken kan.
|
| Klik op [Invoegen]. | |
| Klik op [OK]. |
| U kunt het ingevoegde object bewerken, bijvoorbeeld: verkleinen, vergroten, verplaatsen. U kunt het object (in dit voorbeeld: de grafiek uit SlideWrite) bijwerken: |
| Dubbelklik op het object. Het object wordt nu in het oorspronkelijke programma geopend, het doelprogramma blijft op de achtergrond zichtbaar. Maak alle wijzigingen aan. | |
| Nadat u het object (in dit geval de grafiek) bijgewerkt hebt, klikt u op
Bestand >> Afsluiten en terugkeren naar presentatie, of in
Engelstalige programma's: Exit & Return to Presentatie1. |
| Houdt goed rekening met het verschil tussen gekoppelde en niet-gekoppelde objecten. Als u gekoppelde objecten gebruikt, zorg er dan voor dat u later, als u het doelbestand gaat gebruiken, ook toegang tot deze objecten hebt. Wanneer u bijvoorbeeld een PowerPoint presentatie op cd-rom zet en elders wilt vertonen, moet u eventuele gekoppelde bestanden ook op de cd-rom zetten, met hetzelfde relatieve pad (de plaats van opslag ten opzichte van het doelbestand). |